WAT IS HET CKG ?

Het CKG of Centrum voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning richt zich tot gezinnen met kinderen van 0 tot 12 jaar die hulp vragen omdat er zich bij de opvoeding van de kinderen problemen voordoen of dreigen voor te doen. Solidariteit voor het Gezin heeft een erkenning door Kind en Gezin voor 75 plaatsen in Gent-Evergem (CKG Sloeberhof) en voor 101 plaatsen in Ganshoren, Anderlecht, Schaarbeek en Dworp (CKG Sloebernest). De CKG's bieden drie werkvormen aan, die steeds gekenmerkt worden door een begeleiding van de ouder(s).

    • Mobiele begeleiding: de gezinsbegeleider gaat aan huis bij het gezin
    • Ambulante begeleiding: het kind/kinderen van het gezin verblijft/verblijven deeltijds, dit is of ’s nachts of overdag en/of gedurende enkele dagen per week, in het CKG. De begeleiding gebeurt in het CKG.
    • Residentiële begeleiding: het kind/kinderen van het gezin verblijft/verblijven gedurende een bepaalde periode voltijds in het CKG. De begeleiding gebeurt in het CKG
Bij een opname zal het kind terecht komen in een veilige, kindvriendelijke omgeving. Het zal aandacht krijgen, een aan de leeftijd aangepaste verzorging, voeding en een rustige plaats om te slapen.
De ontwikkeling van elk kind wordt maximaal gestimuleerd, oudere kinderen gaan tijdens de dag naar school. Bezoek door de ouders en familie wordt aangemoedigd als het kan en de geboden hulpverlening wordt samen met de ouders op regelmatige tijdstippen geëvalueerd. In overleg tussen de ouders en de gezinsbegeleider kan de ene begeleidingsvorm naadloos overgaan in een andere.

Pedagogisch en agogisch concept binnen de CKG's

1. Inleiding
Dagelijks worden we geconfronteerd met moeilijke hulpvragen waarop maar zelden kant en klare antwoorden te geven zijn. De moeilijkheden die onze doelgroep ervaren zijn dikwijls te verklaren vanuit verschillende factoren die voortdurend op elkaar inwerken. Dus, in plaats van een lineair verklaringsmodel kiezen we voor een ‘systeem’ waarin zich continue beïnvloedingsprocessen voordoen.

Ons pedagogisch en agogisch concept is gebaseerd op een duidelijke visie rond hulpverlening en de daarmee gepaard gaande doelstellingen in de CKG's. Het komt er op neer dat het CKG aan de kinderen die het begeleidt een veilige en kindvriendelijke omgeving wil bieden waarbij de persoonlijke ontwikkeling maximaal wordt gestimuleerd. Dit gebeurt door de kinderen een duidelijke centrale plaats te geven en de band met de context zoveel mogelijk te behouden. Als CKG willen we in onze begeleiding van kinderen en hun gezinnen, ouders zien in hun ouder zijn en hen hulp aanreiken bij de opvoeding. We doen dit vanuit een blijvend geloof in de positieve krachten van ouders als spilfiguren in de opvoeding, en willen daarom samen met hen zoeken naar de beste aanpak voor hulpverlening.
In de pagina’s die volgen schrijven we ons model van hulpverlenen nog wat verder uit. Dit model hangt samen met het mens- en maatschappijbeeld dat we erop nahouden, alsook met de verschillende modellen en theorieën waardoor we ons laten inspireren. We willen hierbij in de eerste plaats de communicatietheorie van Watzlawick en de systeemtheorie vermelden en refereren ook naar het contextuele gedachtegoed (naar het werk van Nagy-Boszormenyi).Ook gedragstherapeutische uitgangspunten spelen een belangrijke rol.

We zijn er ons terdege van bewust dat onze manier van werken slechts één manier is. Onze waarheid is slechts één waarheid temidden van andere waarheden. Deze manier van kijken willen we ook als uitgangspunt hanteren in onze hulpverlening. We zien de mens als betekenisverlener. Mensen geven betekenissen aan wat op hen afkomt. De betekenis die een gebeurtenis krijgt, is afhankelijk van een heleboel factoren (voorgeschiedenis, sociale context, gevoelstoestand, karakter, …). Ook dit kent zijn vertaling in het statement: ‘elk zijn waarheid’. Mensen geven ook betekenis aan elkaar. We vinden het een belangrijke opdracht om blijvend na te denken over de invloed die mensen hebben op elkaar. In ons dagelijkse werken blijven we de mens als betekenisverlener zien.

2. Het CKG wil aan de kinderen die het begeleidt een veilige en kindvriendelijke omgeving bieden

Sleutelbegrippen als zorg, rust, veiligheid, geborgenheid… zijn van onschatbare waarde voor een kindvriendelijke omgeving. Daarnaast ervaren we hoe belangrijk het is om te kunnen terugvallen op een duidelijke structuur.

We vinden het belangrijk om al van bij de start van de begeleiding het kind gerust te stellen. We zijn ons ervan bewust dat een begeleiding van een kind door een CKG een ingrijpend moment is. Bij een opname in het CKG komt het kind een poosje in een andere leefomgeving terecht. Vanaf het eerste contact tussen het kind en het CKG gaat onze aandacht naar de emotionele beleving van het kind. We vinden het belangrijk dat zij uitleg krijgen over de redenen van hun tijdelijke opname. Het is onze betrachting de ouders maximaal te betrekken bij deze duiding naar hun kind. Zij kunnen hierbij een belangrijke steun zijn. Door belang te hechten aan dit opnamemoment en ouders hierin expliciet te betrekken, wordt ook heel wat informatie verkregen (bijvoorbeeld rond het slapen gaan, het eten, …). Informatie die belangrijk kan zijn voor het welbevinden van het kind in het CKG.

Door de manier waarop we onze leefgroepen inrichten en door middel van onze infrastructuur willen we kinderen een geruststellende en veilige omgeving bieden. We behouden de link met de context en moedigen ouders en kinderen aan om een foto boven het bedje te hangen, om een persoonlijke knuffel mee te brengen… In de leefruimtes willen we de kinderen voldoende privacy geven.

Aan elk kind dat het CKG begeleidt willen we individuele aandacht geven. Bij de (semi-) residentiële opname werken we hiervoor met een systeem van individuele begeleiding. De taak van de begeleidster behelst verschillende aspecten. Zij is soms uitvoerder, soms coördinator en bekijkt in samenspraak met andere teamleden welke de relevante punten zijn bij de opvolging van een kind. De individuele begeleidster is geen onbezonnen therapeut maar veeleer een aanspreekpunt voor de jongere. Zij probeert een vertrouwensrelatie op te bouwen met het opgenomen kind. Ook de ouders kunnen, afhankelijk van het onderwerp, bij haar terecht. Enkele voorbeelden van mogelijke taken zijn: opvolgen en aanvullen van de jongerenmap, opvolgen van de persoonlijke hygiëne, kledijonderhoud, een verhaaltje voorlezen, samen een kaartje maken, rapportage van relevante gegevens, het kind begeleiden bij het ontslag…

Ook bij onze ambulante begeleidingen kennen we het kind een centrale plaats aan toe. De gezinsbegeleider tracht een vertrouwensfiguur te worden en geeft het kind de tijd om aan de begeleiding te wennen. Door spel, samen een tekening te maken, een gesprek… probeert de begeleider het kind op zijn gemak te stellen. Ook de bedoeling van de begeleiding wordt aan het kind duidelijk gemaakt.

Vanuit pedagogische invalshoek ervaren we dag in dag uit hoe belangrijk het is om een structuuraanbod te hebben. Kinderen voelen zich veiliger en meer geborgen wanneer ze ook ervaren dat hun begeleiders/opvoeders mee zorgen voor duidelijkheid en voorspelbaarheid. Naast meer duidelijkheid leidt structuur ook tot meer veiligheid. Opvoeders hebben onder andere als taak bepaalde grenzen af te bakenen en zo kinderen te sturen.
In onze werking implementeren we dit structuuraanbod onder andere door:
- Duidelijke regels op te maken en ondubbelzinnig te verwoorden, rekening houdend met de leeftijd van het kind.
- Een consequente aanpak te hanteren in het begrenzen van bepaald gedrag.
- Het belang van bepaalde regels te verwoorden naar het kind.
- Duidelijke consequenties te koppelen aan regelovertredend gedrag
- Visuele hulpmiddelen in de leefgroep aan te brengen die het dagverloop verduidelijken.
- …

In onze CKG's werken we vanuit een positieve ingesteldheid ten aanzien van de kinderen. We weten dat aandacht voor het goede, voor het positieve, meer effecten heeft dan een focus op het negatieve, op wat fout gaat. We weten dat belonen positiever werkt dan straffen en zijn er attent op positief gedrag te bekrachtigen en negatief gedrag te bestraffen of te negeren. Door het positief bevestigen van kinderen willen we streven naar gedragsverandering bij het opgenomen kind. We menen ook dat deze gerichtheid op het positieve een wezenlijke impact heeft op het leefklimaat.

3. De persoonlijke ontwikkeling stimuleren

Hoe kinderen doorheen de verschillende levensjaren ontwikkelen is afhankelijk van een aantal factoren. Verschillende elementen zoals de erfelijkheid (de genen), de omgeving (vb. het omringend sociaal netwerk), de persoonlijke beleving van het kind hebben een invloed op het functioneren van het individu en zijn in min of meerdere mate bepalend voor de ontwikkeling van elkeen. Deze benadering heeft als consequentie dat we om de ontwikkeling van de door ons begeleide kinderen te stimuleren, uitgaan van een integrale aanpak. We houden vast aan een bio-psycho-sociaal model waarbij we oog hebben voor deze verschillende dimensies, die tevens op elkaar inwerken.

Het bevorderen van de ontwikkeling van de door ons begeleide kinderen is voor de CKG's een belangrijke pedagogische doelstelling. Door kinderen te steunen en te stimuleren helpen we hen de wereld te ontdekken. Daarvoor moeten kinderen voldoende bewegingsvrijheid en kansen krijgen. Maar soms moeten we hen ook eens inperken en hen behoeden voor gevaar. We grijpen dan in door grenzen aan te geven en door hen te leren wat kan en niet kan. Door grenzen te stellen leren kinderen uiteindelijk ook voor zichzelf zorgen.

Het mogen/moeten samenleven met andere kinderen zien we ook als een kans om de sociale vaardigheden verder te ontplooien. Kinderen leren van elkaar en gaan vriendschapsrelaties aan. Door imitatiegedrag maken ze zich nieuwe vaardigheden sneller eigen. Door het tijdelijk samenleven, leren ze rekening houden met elkaar en sociaal wenselijk gedrag te stellen. Ook leren ze om te gaan met conflicten. Waar kinderen heel intens met elkaar samenleven, ontstaat het gevoel deel uit te maken van een groep, een groep waarmee ze zich verbonden voelen. Dit gevoel ergens bij te horen hangt nauw samen met het gevoel iemand te zijn en iets te betekenen. De leefgroepbegeleiding heeft oog voor al deze groepsdynamische processen en stuurt die in belangrijke mate bij (vaak vanuit de voorbeeldfunctie). Dit bijsturen gebeurt vanuit een uitgesproken communicatief klimaat, met ruimte voor inspraak –en participatiemogelijkheden.

Deze gerichtheid op het functioneren in groep, betekent zeker niet dat onze hulpverlening niet individueel gekleurd is. We stellen dat elk kind en elke situatie uniek is. In onze hulpverlening willen we ook een aanpak hanteren die individueel gekleurd is. Elk kind, elke situatie is immers uniek. Uitgaande van deze eigenheid tekenen we in samenspraak met alle betrokkenen, individuele trajecten uit die de ontwikkeling van het kind ten goede komen. In de dagelijkse werking moedigen we onze kinderen aan om zelf oplossingen te zoeken in moeilijke situaties (vb. door niet meteen tussen te komen bij een probleemsituatie maar wel veiligheid te voorzien), we nodigen kinderen uit zelf keuzes te maken (vb. bij de keuze van kledij, …) en geven hen kleine verantwoordelijkheden (vb. peuter iets laten dragen…). We stimuleren het autonoom denken en handelen en trachten op die manier de zelfredzaamheid te verhogen. Het gevoel invloed te hebben op de buitenwereld, zelf dingen te kunnen bepalen en verwezenlijken, heeft ook een invloed op het zelfvertrouwen en zelfbeeld.

Om deze individuele gerichtheid te bewaken, richten we wekelijks of tweewekelijks teamvergaderingen en intervisies in die multidisciplinair zijn samengesteld. Hier worden de bevindingen en observaties betreffende een kind samen gelegd en wordt het functioneren van een kind vanuit verschillende hoeken belicht. Hier wordt besproken op welke manier bepaalde problemen kunnen aangepakt worden en worden realistische doelstellingen geformuleerd.

Het CKG blijft er waakzaam op om in te spelen op de ontwikkelingsvragen van het kind. Enerzijds gebeurt dit door een ontwikkelingsstimulerende leefomgeving aan te bieden (zowel in de thuissituatie als in het CKG). In onze residentiële werkvormen doen we dit onder andere door een leeftijdsaangepast activiteitenaanbod te voorzien en door een ruim aanbod van ontwikkelingsstimulerend en leeftijdsgeschikt speelgoed aan te bieden. In de ambulante werking zoeken we samen met ouders hoe de ontwikkeling van hun kinderen kan bevorderd worden. Dit gebeurt bijvoorbeeld door aangepast en ontwikkelingsstimulerend speelgoed aan te bieden of door ouders te stimuleren bepaalde activiteiten te doen met hun kinderen.

We volgen het ontwikkelingstempo van elk kind. We zien het als onze opdracht kinderen aan te moedigen en uit te nodigen om een ‘stapje’ verder te gaan. Maar soms merken we dat ons aanbod niet toereikend is. Soms wordt de ontwikkeling van een kind te sterk gehypothekeerd. Gespecialiseerde hulp is dan aangewezen om vooruitgang mogelijk te maken. We geloven sterk in een samenwerkingsmodel en doen beroep op andere gespecialiseerde diensten, zoals centra geestelijke gezondheidszorg, revalidatiecentra, vertrouwenscentra kindermishandeling, kinderpsychiatrie om een kind maximale ontwikkelingskansen aan te reiken.

4. Kinderen een duidelijke centrale plaats geven

In het CKG gaat onze eerste loyaliteit uit naar het kind. Dit wil zeggen dat we in onze hulpverlening een kindgerichte benadering hanteren die gericht is op het ‘belang van het kind’. Dit betekent ook dat we het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind naleven. We nemen het dus uitdrukkelijk op voor het kind. Ook het decreet omtrent de rechtspositie van de minderjarige stippen we in dit verband aan.

Uiteraard houdt dit in dat we proberen de veiligheid van het kind te garanderen. Wanneer kinderen zich bevinden in een bedreigde leefsituatie nemen we onze verantwoordelijkheid op en trachten iets te verhelpen aan de gevaarsituatie. Dit concretiseert zich in het daadwerkelijk doen van een begeleidingsaanbod of, indien er geen plaats is, opvolging bij doorverwijzing in crisissituaties.

We stellen in onze begeleiding steeds het kind en zijn beleving (van het gezin) centraal en zoeken (mee) naar antwoorden op de hulpvragen waaraan het kind uitdrukking geeft. Ook kinderen zijn betekenisverleners. We hechten belang aan de manier waarop kinderen hun omgeving beleven, aan de manier waarop ze bepaalde relaties ervaren. We hechten belang aan hun gevoelens, hun angsten, hun hoop… De verbale taal is niet de enige manier om hieraan uitdrukking te geven. We hebben aandacht voor non-verbale signalen en verbinden ons ertoe verder te kijken dan het gedrag op zich. We zoeken naar de betekenis van bepaald gedrag. We bieden kinderen de mogelijkheid om ook op andere manieren zich uit te drukken. Door middel van spel, tekeningen, knutselen, … geven kinderen uitdrukking aan hun emoties.

Kinderen een centrale plaats toekennen wil ook zeggen dat we hen laten participeren in elke fase van het hulpverleningsproces. Kindparticipatie verwezenlijken we onder andere door rekening te houden met de dingen die het kind doet. Door zijn emoties en gedrag bespreekbaar te maken wordt het kind meer zelfbewust van hoe hij zichzelf ziet, welke plaats hij zichzelf toekent in relatie tot de betekenisvolle anderen. Kinderen die zelfbewuster zijn, kunnen ook gemakkelijker opkomen voor hun eigen mening.
In de residentiële werking laten we kinderen ook in de dagdagelijkse praktische werking participeren: de tafel dekken en afruimen, de wasmand helpen dragen, meehelpen bij het voorbereiden van feestjes. De vakantieplanning wordt uitgewerkt samen met de kinderen. Als heel concreet voorbeeld van een inspraakorgaan willen we de bewonersvergadering aanstippen (voor kinderen vanaf 3 jaar). Deze vergaderingen gaan regelmatig door. Op een speelse en kindvriendelijke manier kunnen kinderen voorstellen doen, worden hun gevoelens bespreekbaar gemaakt en komen specifieke thema’s aan bod. Ook in onze ambulante begeleiding proberen we ouders van deze participatieve houding te overtuigen.

5. Ouders zien in hun ouder zijn

In onze begeleidingen van kinderen en hun ouders hechten we veel belang aan de ‘onverbrekelijke’ band die er tussen hen bestaat. De band tussen ouders en kind is een band voor het leven. Er bestaat een onvoorwaardelijke loyaliteit van kinderen naar hun ouders toe, en omgekeerd. Wanneer mensen aan deze banden gaan twijfelen, wanneer deze banden in het gedrang komen, dan merken we dat er vaak innerlijke conflicten ontstaan.

Heel wat kinderen uit onze doelgroep komen uit gezinnen die het moeilijk hebben. De ouders hebben te kampen met familiale en sociale moeilijkheden. Veelal hebben we te maken met ‘gebroken’ gezinnen waarbij conflicten in de partnerrelatie ook soms gevolgen op de ouderrelatie hebben. Hierdoor kan ook de band tussen ouder en kind in het gedrang komen. De betekenis die kinderen aan hun ouders geven gaat ook samen met ‘veiligheid’. Bij hun ouders voelen kinderen zich graag gezien, voelen ze zich op hun gemak. Wanneer deze betekenis in het gedrang komt, verhoogt het risico op het ontwikkelen van problemen bij kinderen.

Hoe moeilijk het voor sommige ouders ook kan zijn, we blijven hen als ouder zien. Deze zo belangrijke relatie trachten we te continueren. Ouders blijven de eerste verantwoordelijken. Dit betekent dat we er in onze begeleidingen oog voor hebben dat het kind zijn plaats in het gezin blijft behouden.

Daar waar ouders geen contacten nemen, waar ouders schijnbaar afwezige figuren zijn, zien we het als onze opdracht om toch te werken aan het herstellen van deze banden. Het bespreekbaar maken van loyaliteitsconflicten kan dan een eerste stap zijn. Dit gebeurt onder andere door kinderen aan te spreken op hun verlangen en vermogen rekening te houden met beide ouders, maar ook door ouders en kinderen te wijzen op de eigen invloeden die ze uitoefenen. Kinderen steunen we om hun ouders te begrijpen. Evenzeer brengt dit met zich mee dat we geen rechter spelen. We zijn heel behoedzaam voor het te snel vellen van oordelen. We stappen niet mee in het ‘schuld-denken’ en trachten steeds onze meerzijdige partijdigheid te bewaken. Dit alles betekent dat we ouders een essentiële en onvervangbare taak toeschrijven in de opvoeding van hun kinderen.

6. Ouders hulp aanreiken bij de opvoeding.

De CKG's bieden een gerichte hulpverlening op korte termijn aan kinderen en hun gezinnen die in een tijdelijke probleemsituatie verkeren. Door de moeilijkheden kunnen de gezinsfuncties naar het kind niet meer optimaal gegarandeerd worden. We willen de pedagogische vraag en het pedagogische aanbod op elkaar afstemmen zodanig dat een ontwikkelingsbevorderend gezinsklimaat hersteld of gecreëerd wordt. Het afstemmen van vraag en aanbod impliceert een principiële vrijwilligheid van de cliënt. Een uitzondering hierop vormen de rechterlijke plaatsingen door de jeugdrechtbank.

De kracht van het CKG is dat er pedagogische hulp kan geboden worden zonder dat de tussenkomst van één of andere formele instantie noodzakelijk is. De begeleiding van het CKG past binnen een eerstelijns voorziening. Ouders kunnen steeds adviezen vragen wanneer het over opvoedingsmoeilijkheden gaat. We willen erop toezien dat de stap voor de hulpvrager laagdrempelig is. Deze laagdrempeligheid vertaalt zich in het permanent open zijn van onze dienst om kinderen in crisissituaties op te nemen of door te verwijzen, 24 uur op 24. Bij een ambulante begeleiding worden de gesprekken in principe in het gezinsmilieu gehouden, om het gezinsfunctioneren beter in kaart te kunnen brengen.

Bij een begeleiding werken we steeds naar een zo spoedige en opportuun mogelijke integratie van het kind in zijn gezin. Door onze begeleiding trachten we de kans dat een probleem verder cumuleert of dat er opnieuw een crisis optreedt, te verkleinen.

7. Geloof in de positieve krachten van ouders als spilfiguren in de opvoeding

De begeleidingen die we vanuit de CKG's voeren, worden gekleurd door een positief optimisme. Dit betekent dat we geloven in de competenties en de sterktes die ouders kunnen aanwenden bij het opvoeden van hun kinderen. Al lijkt het er soms op dat ouders de ene mislukking na de andere ondergaan, ook al is er geen onmiddellijk resultaat waar te nemen, toch blijven we zoeken naar deze (soms latent) aanwezige krachten. Dit betekent zeker niet een verdoezelen of blindheid voor wat mislukt. Mislukkingen, tegenslagen, … kunnen we herkaderen als kansen om uit te leren. Anderzijds moeten we ook durven toegeven dat we meermaals onze grenzen tegenkomen. We worden soms geconfronteerd met problemen die een meer gespecialiseerde hulp vergen en onze draagkracht te boven gaan. In deze gevallen pogen we ouders te motiveren gespecialiseerde hulp te zoeken. Indien het kind in gevaar is en de ouder onderneemt geen stappen zal het CKG haar verantwoordelijkheid opnemen en pogen een gedwongen hulpverlening te installeren.

Tijdens onze begeleidingen willen we de ouders zoveel mogelijk blijven betrekken bij de opvoeding van hun kinderen. Een tijdelijke begeleiding beoogt het gezin opnieuw in staat te stellen om de opvoedings- en verzorgingstaken op te nemen. We trachten dit te bereiken door in onze hulpverlening een emancipatorische visie te hanteren, waarbij we empowerment als uitgangspunt nemen. We werken aan wat het gezin zelf problematisch vindt. Gezinsleden krijgen de kans de nodige vaardigheden aan te leren en worden aangezet om naar langdurige oplossingen te zoeken. Ouders worden gemotiveerd en gestimuleerd om zelf keuzes en beslissingen te nemen.

Daarnaast willen we ouders ook responsabiliseren door hen zoveel mogelijk te stimuleren de band met hun eigen kind aan te halen en te verstevigen. In de residentiële en semi-residentiële begeleiding worden de ouders aangemoedigd voldoende tijd uit te trekken voor de breng- en haalmomenten en voor een regelmatig bezoek. We stimuleren hen op die momenten actief bezig te zijn met hun kind. Daarnaast kunnen zij ook rechtstreeks telefoneren naar de leefgroep waar hun kind verblijft. Ouders responsabiliseren betekent ook werken aan het besef dat aan bepaalde keuzes consequenties verbonden zijn. Omdat het hier gaat om een proces van veranderen en leren, ligt ons accent op een procesgerichte werking, meer dan op een resultaatsgerichte werking. Door zelf stappen te zetten en beslissingen te nemen, krijgen mensen het gevoel invloed te hebben op de situatie. Mensen kunnen dan ook (opnieuw) perspectieven gaan ontwikkelen.

Door ouders te zien als spilfiguren in de opvoeding laten we hen zoveel als mogelijk participeren in de werking van het CKG. We menen deze ouderparticipatie in de eerste plaats te kunnen verwezenlijken door een open communicatieklimaat te installeren. We kiezen resoluut voor een open dialoog waarbij het belangrijk is duidelijke rolafspraken te maken. Het overnemen van bepaalde opvoedings- en begeleidingsfacetten gebeurt daar waar de draagkracht van de ouders overschreden wordt. Bij een (semi-) residentiële opname is het voor ouders vaak nodig dat tijdelijk ook de opvoedende en verzorgende taken overgenomen worden. Het CKG heeft dan als opdracht een pedagogisch volwaardig klimaat te scheppen voor het kind. Bij opnames in het CKG moedigen we daarom ouders aan zelf stappen te nemen bij het opnemen van bepaalde zorgen (vb. helpen bij verzorgingsmomenten, spelen met hun kind, vaak op bezoek komen). Indien ze het aankunnen, nemen zij ook de extra zorgen op zich ( vb. naar de kapper gaan, tandarts, …). Indien hun draagkracht overschreden wordt, kunnen dergelijke zaken opgenomen worden door de begeleiding maar het uitgangspunt blijft dat de ouders dit opnemen.
Bij ambulante begeleidingen gaat het overnemen van heel concrete taken minder op de voorgrond staan. Veeleer bestaat de rol van de hulpverlener er in om inzichten en vaardigheden te vergroten en hulp te zoeken in de context.

Het participatief werken krijgt al van bij de start van de begeleiding een prominente plaats. Van bij het begin van elke begeleiding moet er een actieve participatie of betrokkenheid van de ouders zijn om het gezin te kunnen laten groeien naar een volledig autonoom functioneren. De hulpverleners van de CKG's zullen de bereidheid tot medewerking expliciet aan de ouders vragen en dat zal zich vertalen in een op maat gemaakt ondersteuningsplan met prioritaire werkpunten en verschillende concrete afspraken. Samen met de ouders worden de doelstellingen geformuleerd waaraan gewerkt dient te worden. Op geregelde tijdstippen vinden ook evaluaties plaats. Ouders worden uitgenodigd mee te denken om mee vorm te geven aan de dagdagelijkse werking. In de gang is er ¬¬een ideeënbus, ouders worden uitgenodigd op de oudervergaderingen, er is een ouderkrantje… Ouders kunnen ook in de leefgroep meehelpen aan de verzorgingsmomenten van hun kind. Daarnaast worden ouders uitgenodigd om ontspanningsactiviteiten of feestmomenten georganiseerd door het CKG (vb. sinterklaasfeest, paasfeest, …) samen met hun kinderen te beleven.

8. Samen met ouders zoeken naar de beste aanpak voor hulpverlening

Hulpverlenen doen we niet vanuit een ivoren toren waarbij de hulpverlener het nu eens voor het zeggen heeft. Veeleer gaat het over het aangaan van een specifieke relatie waar ouders en hulpverleners elkaar aanvullen. De ouders kennen hun kind uiteindelijk het best. Zij weten hoe hun kind functioneert in verschillende situaties, zij zien hoe hun kind zich voelt, … Hulpverleners hebben hun specialisatie, zijn geschoold in het geven van opvoedingsondersteuning, gezinsbegeleiding, ….We stappen af van het hanteren van een deskundigheidsmodel en zien meer heil in een samenwerkingsmodel. Op deze manier streven we naar meer gelijkwaardigheid tussen hulpvrager en hulpverlener. Want het is juist door het aangaan van een samenwerking dat we meer en meer vanuit verschillende invalshoeken naar een bepaalde situatie kunnen kijken. Op deze manier komen we ook tot een zo compleet mogelijk beeld van een gezinssituatie.

De stap naar de hulpverlening is geen gemakkelijke stap voor ouders. Ouders komen vaak met heel wat verwachtingen naar ons toe. Maar we hebben de waarheid niet in pacht en hebben geen geijkte oplossingen voor handen. We gaan wel samen met een gezin op weg. Dit samen op weg gaan start bij het exploreren van de verschillende verhalen. We zijn ons ervan bewust dat elk zijn waarheid heeft. Hierbij staan we uitvoerig stil bij de gevoelens van onrecht, van beleving, van betekenisverlening. We hebben oog voor de inspanningen die mensen al geleverd hebben. We behoeden ons voor het voeren van waarheidsgevechten en houden ons buiten de strijd over wie al dan niet gelijk heeft. Deze strijd willen we niet voeren want juist daarin schuilt een immense valkuil.
Door dit exploreren van de verschillende verhalen, door het nauwkeurig beluisteren en analyseren van de hulpvraag bieden we zorg die het best aangepast is aan het particuliere gezin. Zo voorzien we een begeleiding op maat. Gezien de aanwezigheid van verschillende werkvormen hebben we de mogelijkheid tot naadloze overgang van de ene werkvorm naar de andere. Uiteraard houden we hierbij het subsidiariteitprincipe in acht. We kijken naar de minst ingrijpende maatregel voor het kind.

Dit samen zoeken om de draagkracht van ouders te versterken betekent ook dat gezocht wordt naar kapstokken voor hulp in het omringende netwerk van de cliënt zelf. We werken met gezinnen op een contextgerichte manier en definiëren ‘context’ als ruimer dan het gezin. Grootouders, tantes en nonkels, andere familieleden, de school, de sportclub, de buurt, … behoren tot het netwerk van het gezin.

9. Gezinsbegeleiding in het CKG

Om de bovenstaande principes in praktijk om te zetten vallen we terug op een multidisciplinair team. Naast leefgroepbegeleidsters en individueel begeleidsters, zien we gezinsbegeleiders als een noodzakelijk onderdeel om ons hulpverleningsaanbod te verwezenlijken.

Het CKG vertrekt vanuit de visie dat de hulpverlening zich niet enkel moet richten op het opgenomen kind. Het kind maakt immers deel uit van een betekenisvol psychosociaal systeem, een ongelimiteerd netwerk van beïnvloedingswisselwerkingen.
De gezinsbegeleiding wil zich – uitgaande van het kind - voornamelijk richten op de concrete thuiscontext en opvoedingssituatie. Hij wil die vooral benaderen vanuit een systeemtheoretische en integrale invalshoek.

Een belangrijk werkpunt in het hulpverleningsproces is het – samen met de cliënten - op zoek gaan naar gemeenschappelijke doelen. Deze doelen worden geëxpliciteerd en benoemd. Hierin leggen we een sterke link met cliëntparticipatie en emancipatorisch werken.
Naast de doelen die gesteld worden vanuit de hulpverlening, vanuit de inzichten in wat gezonde gezinsrelaties zijn binnen de huidige maatschappelijke context, stellen we de vragen of problemen die de gezinsleden als belangrijk beschouwen, centraal.
De doelen van de gezinsbegeleiding kunnen bijgevolg heel divers zijn.
Een aantal mogelijke doelstellingen van de gezinsbegeleiding zijn:
- het optimaliseren van het opvoedingsklimaat en –situatie;
- het verbeteren van de opvoedingsrelatie en –vaardigheden;
- verhogen van de draagkracht van de ouderfiguren en het verlagen van de draaglast van het kind;
- het gezin helpen bij het overwinnen van een crisis;
- het doorbreken van problematische communicatiepatronen, van disfunctionele interactiepatronen;
- het eigen oplossingsvermogen van het cliëntsysteem versterken.
Het ultieme doel van de begeleiding is dat de ouders uiteindelijk opnieuw volledig zelfstandig kunnen instaan voor de zorg van hun kind en de hulpverlener overbodig wordt.

Om de bovenstaande doelen te bereiken wordt een specifieke deskundigheid van de gezinsbegeleid(st)er gevraagd. De hulpverlener moet inzicht krijgen in de onderlinge relatiepatronen, communicatiemodaliteiten, de betekenissen die gebeurtenissen krijgen…
Om te kijken naar en te werken met wat zich in gezinnen afspeelt, moet de hulpverlener kunnen steunen op een aantal modellen. Het kunnen terugvallen op een arsenaal aan principes en methodieken is onontbeerlijk voor het uitvoeren van een degelijke gezinsbegeleiding.

We denken aan een analyse van de gezinssituatie vanuit maatschappelijke, culturele, pedagogische en interactionele verklaringsmodellen (Watzlawick, Nagy, Minuchin, …). We achten het belangrijk te kunnen werken met verschillende strategieën en benaderingen, afhankelijk van de vraag en de context.

De focus van de gezinsbegeleiding ligt op het huidig functioneren van het gezin, met specifieke aandacht voor de opvoedingsproblemen die mensen ervaren. Bij het omgaan met moeilijkheden uit de concrete dagdagelijkse realiteit wordt tastbare hulp aangeboden. Deze hulp kan geconcretiseerd worden door:
- regelmatige huisbezoeken en telefonische contacten;
- roluitklaring en structureren van de gezinssituatie;
- informeren over het opvoedingsproces;
- het bieden van pedagogische ondersteuning;
- het bespreekbaar maken van conflictsituaties;
- responsabilisering van de ouderfiguren;
- stilstaan bij de onderscheiden betekenisverleningen;
- expliciteren van meningen en standpunten;
- introduceren van het besef dat mensen op verschillende manieren naar iets kunnen kijken en dat dit niet nefast hoeft te zijn;
- zichtbaar maken van wederzijdse inzet;
- zoeken naar een gemeenschappelijke taal, vb. door het samen doen, ervaren… ;
- stilstaan bij de wisselwerking tussen het gezin en de ruimere context;
- sleutelen aan het besef bij mensen invloed te hebben op wat “hen overkomt”
- …
Het gaat hierbij dus om een systematische begeleiding door iemand die hiertoe gemandateerd is. Gezinsbegeleiding is daarom een aangelegenheid van daartoe opgeleide of bijgeschoolde mensen. Belangrijk bij deze hulp is dat ook de hulpverlener zich bewust is van de eigen positie binnen het gezin. Het kunnen omgaan met weerstanden, het tijdig loslaten, het geloof in de aanwezige positieve krachten en mogelijkheden van het gezin zijn essentieel. Daartoe is het belangrijk dat de hulpverlener een aantal dynamieken uit het eigen levensverhaal op een bewuste manier weet te hanteren, evenals zijn eigen gedrag en gewaarworden als een hulpverleningsinstrument kan hanteren, aspecten die tijdens een specifieke opleiding aan bod komen.

10. Tot slot

Tot slot willen we opmerken dat het een onmogelijke opdracht is om in het agogisch en pedagogisch concept alles te expliciteren. Dagelijks hebben we te maken met nieuwe vragen, met nieuwe uitdagingen die een professionele aanpak vragen. Daarom is dit agogisch en pedagogisch concept geen statisch gegeven maar eerder iets wat voortdurend in beweging is. Alleszins wilden we in deze tekst de grote contouren van onze werkwijze verduidelijken en hopen we hiermee al onze medewerkers een belangrijke en te volgen leidraad te hebben aangeboden.